Zij zitten elke middag
aan hun vaste tafel
in het café, strategisch
waardoor lichtinval
de jaren doet vervagen.
Nippen met geheven pinken
waaraan ringen flonkeren
eindeloos thee uit porseleinen
koppen en zachtjes praten zij
over wat was en wat bleef.
Op hun broze huid licht de
blos van rouge fel op zwart
omrande ogen en te rood gestifte
monden maken van hun benige
gezichten een maskerade.
Hun handelsmerk van vergane
glorie de veel te wijde bontjassen
verhullen de krakende lijven.
Terwijl ik meen te weten dat ik lig te slapen
in de groentela en boter heb gesmeerd in de
vacht van de hond, schrik ik van mijn braak
liggen, een bodem voor zaad niet te vinden.
Er schijnt veel sneeuw te zijn gevallen de
zwaarte is voelbaar. Wil mijn mond openen
maar raak het spoor bijster. Geen dansende
letters te zien. Alleen wit zonder zwart waar
ik niet in wil verzinken. Schaduwen doemen
op nu niet afhaken, niet nu!