Het huis was groot met veel ramen en een ruime zolder
die je beklom via een ladder waar soms een gevild konijn
aan hing. Het grote grasveld gaf uitzicht op wonderlijke
dieren in de wolken boven je.
In het voorjaar de vruchtbomen vol bloesems, de kruisbessen
de appels en de kersen je handen dropen van het sap en de
kersen kleurden ze paars. Een middagdutje deed je naast
de oude waterput het hoofd op het warme lijf van de buurhond.
Stokrozen sierden in de zomer de voorgevel en bonte rijen
bloemen overwoekerden het pad naar de voordeur.
Er was de veilige schoot van de altijd zorgende grootmoeder
voor het slapen las ze voor uit de kinderbijbel, later in de bedstee
de deurtjes mochten op een kier, dommelde je op de huiselijke
geluiden in slaap.
Jaren later staat het huis er nog steeds, de ramen zijn dof de verf
laat los, geen vruchtboom te zien ook geen stokrozen
of andere bloemen.
En het kind is boven de dakgoot gegroeid.