Laaghangende mistbanken hangen boven mijn
schouders. Bomen zwaar van vocht laten hun
sporen na. Schepen met wit licht en misthoorns
doorklieven het klotsende water.
Krijsend verlaten kraaien hun nest.
Op aarzelende voeten ga ik verder. De
verlaten riem van een hond biedt geen steun.
Op de dijk doemt een vreemd wezen op
een opwaaiend gewaad kan borsten en
billen niet verhullen.
Haar als een wuivende wolk siert een gezicht
dat niet kan zien. Het houdt de armen
beschermend gevouwen.
Het is niet de kilte die mij doet huiveren.
De misthoorns met hun klagend geluid
doen de ochtend zwijgen.