Op kaarten niet te vinden

Het verlangen om de plek te delen waar de aarde ruikt
naar regen en het gras zich onze voeten herinnert
wakkert mijn verlangen aan, ook als ik dwaal door stille nachten.
Op een van mijn tochten verscheen plots een kat, niet uit een
straat of tuin maar uit het niets stond hij daar; alsof hij
van buiten de aarde kwam.

Zijn vacht ving het maanlicht en zijn ogen hadden
de kleur van een wereld die ik niet kende, ik knielde
hij rook aan mijn hand en ik wist dat jij het was.
Kom zei ik: laten we gaan naar hoe het was en we
zwierven net als toen langs de huizen, de singels en de
grachten, met het spiegelende water, het buurtcafé met
een tafeltje voor twee, maar de deur was dicht.

We zagen de maan, die we opnieuw wilden plukken en
verstoppen in een gedicht. Jij vertelde je dromen en gaf
mijn gedachten kleur en net als toen lachte je licht, al liep
je niet voor me uit.
We vonden het huis waar onze herinneringen wonen,
gluurden door een kier van de gordijnen. Er hing nog
de geur van kokos en woorden in liefde geschreven.

Ik vroeg of jij ons schrift nog wist, maar je was geruisloos
opgegaan in de nacht, zelfs het gras had je voetstap
niet onthouden.

Terug naar alle gedichten

Bookmark de permalink.