Hoogtijdagen

De tantes, ze kwamen helemaal uit Amsterdam bekeek
je met ontzag. De rechte stoelen waarop ze zaten leken wel
een troon. De magere lijven gehuld in te ruime bontjassen
en met vingers vol glitter waren het pronkende pauwen de
vroegere winkelmeisjes van de Bonneterie.

Niet iedereen had het zelfde aanzien. Mijn moeder verdroeg
slecht het onderhuids venijn, zij droeg alsmaar koffie aan.
De jaren gingen, de hoogtijdagen werden minder, de tantes
hadden niets meer om het lijf het pronken was hun vergaan.

Mijn moeder kreeg haar eigen hoogtijdag. Op een dag lag er
een juweliersdoosje op haar tafel. Op roze fluweel lag een klein
gouden uurwerkje. Sprakeloos was ze en jaren heeft het haar
extra allure gegeven.

Mijn moeder is niet meer, maar het uurwerkje geschatte waarde
-honderdvijfenzeventig euro- is nu een kostbaar kleinood.

Terug naar alle gedichten

Bookmark de permalink.