Gestreken door getijden, warmt het zand
zich aan het ochtendgloren.
De zee glinstert als een ruwe diamant.
Stenen schuren pijnlijk langs mijn voeten, die sporen
in het zand achterlaten. Als een streling suist
een briesje voorbij, raakt even een arm met
door de tijd getekende huid, rimpelig als riviertjes.
Nu koeren alleen de duiven nog.
Thuis wordt langs benen gedraaid en teder
aan vingers geknabbeld.
Taal zonder woorden, geweten tijd.